Wie niet aanwezig kon zijn bij de aanvaarding door Micha de Winter van het ambt van hoogleraar op de facultaire Langeveld-leerstoel voor de studie van maatschappelijke opvoedingsvraagstukken, moet het doen met de bewerkte versie van zijn inaugurele rede zoals die stond afgedrukt in NRC Handelsblad van 20/21 augustus: Code van de straat ondermijnt democratie.
Een dergelijke titel trekt meteen mijn aandacht omdat hij verwijst naar een van de grootste problemen van het volkomen versplinterde, hyper-geïndividualiseerde, nog altijd krankzinnig permissieve en, bovenal, zwaar overbevolkte Nederland anno nu. Een golf van ‘zinloos geweld’ die al meer dan vijftien jaar aanhoudt, twee politieke moorden, de dreiging van terrorisme en een onmiskenbare verruwing van het maatschappelijk verkeer; behalve wellicht beroepsbagatellist Maarten van Rossem zal niemand beweren dat het met veiligheid, democratie en rechtsstaat bij ons wel goed zit - ook professor De Winter niet. Dat diens betoog weinig om het lijf had, viel dan ook tegen.
De lezer wordt geconfronteerd met een serie inmiddels wijd open deuren: de parallelle samenlevingen in bijvoorbeeld Overvecht en Amsterdam-West (ofwel de de facto neo-Apartheid in grote delen van het land) en dat kinderen moeten leren dat geweld niet mag. Daarnaast zijn er veel verwijzingen naar (andere) autoriteiten, kennissen en vakgenoten: socioloog/etnograaf Elija Anderson, vriend en collega Mike Zuckerman, het ‘empathie-postulaat’ van Martha Nussbaum, de drie soorten tolerantie van Levinson, de gouden regels van Fennema en Maussen … De vraag werpt zich op of hier een ander belang mee gediend is dan het etaleren van de eigen belezenheid.
De Winter doet ook nog een paar robuust klinkende maar volkomen inhoudsloze constateringen. Het fraaiste voorbeeld daarvan is te vinden aan het slot van het artikel: “Een kind meer empathie, en ouders meer democratische opvoedingsvaardigheden bijbrengen in een sociale omgeving die zulk gedrag ontmoedigt of zelfs afstraft, heeft niet veel zin. Wat wél zin heeft, is het scheppen van kaders – liefst samen met betrokkenen – die democratisch gedrag genereren.” Wat moeten wij ons in ’s hemelsnaam voorstellen bij “kaders die democratisch gedrag genereren”? Uit het artikel wordt het niet duidelijk. En zo is vrijwel alles wat De Winter hier debiteert, vaag, wollig en vooral volstrekt vrijblijvend: niemand mag worden uitgesloten van de politieke gemeenschap. Welke gemeenschap? De wereldgemeenschap, de Atlantische, de Europese, de Nederlandse? Of misschien de Boliviaanse? En hoezo moeten De Winter en u en ik, en ca. 6,5 miljard anderen, dan ongehinderd en ongeclausuleerd ons partijtje kunnen meeblazen in de Boliviaanse politiek? O ja, en anderen in het publieke debat “hun menselijke waardigheid ontzeggen”, dat mag óók niet. Niet dat ik er ook maar de geringste aanvechting toe heb, hoor, maar gewoon uit nieuwsgierigheid: hoe gaat dat eigenlijk in zijn werk, dat ontzeggen van de menselijke waardigheid? Gaat dat nou vooral met woorden en beelden, of meer met stoeptegels, kogels, goed gevulde rugzakken en slagersgerei …?
maandag
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten