& bananen, kersen, kiwi’s …
Tijdens de Indische Studiedagen op de Haagse Pasar Malam liet directeur Edy Seriese van het Indisch Wetenschappelijk Instituut zich zeer kritisch uit over het huidige inburgeringsbeleid en de zorgen van velen met betrekking tot de integratie van nieuwkomers. Zij noemde de hele discussie “oeverloos” en “grote onzin” en verzuchtte: “Waar maken we ons druk over?” Volgens mevrouw Seriese moet je “die mensen lekker met rust laten, dan komt het vanzelf goed” (Bron: De Telegraaf, 16 juni 2004). Maar is dat niet juist wat we decennialang gedaan hebben, nieuwkomers lekker met rust laten ?
Achteraf bezien is ‘de multiculturele samenleving’ kort na de oorlog begonnen. Vanaf 1945, en vooral na 1950, kwamen de zogenaamde ‘Indische Nederlanders’ in voor die tijd groten getale naar ons land; ons land dat – zo vonden zij met recht – ook het hunne was. Volgens de directeur van het I.W.I. kunnen Turken, Marokkanen en asielzoekers een voorbeeld aan hen nemen. Daarover verschil ik niet van mening met mevrouw Seriese.
Zij wees erop dat de integratie ook destijds niet van een leien dakje ging. Zoiets kost nu eenmaal twee tot drie generaties. “Die tijd moet de Nederlandse samenleving gewoon nemen.” Ook in die stelling ga ik van harte mee. Het denken over integratie is immers vaak nog even simplistisch als het denken over taalverwerving: stuur nieuwkomers een paar honderd uur op cursus en alles sal reg kom ...
Maar de belangrijkste conclusie van mevrouw Seriese is helaas ook behoorlijk simplistisch: destijds ‘lieten we ze met rust’ en het is allemaal goed gekomen; als we ‘ze’ nu weer met rust laten, komt het weer goed… Hoezo ‘ze’ ? De W in I.W.I. staat voor wetenschappelijk; nu mag je in de wetenschap alles en iedereen vergelijken met iedereen en alles, maar als je dat doet, moet je er natuurlijk wel oog voor hebben wanneer blijkt dat er meer verschillen zijn dan overeenkomsten. En verschillen tussen de zogenaamd ‘gerepatrieerde’ Indische Nederlanders en de golf van nieuwkomers na hen zijn er te over. Ik noem een aantal belangrijke:
1. De Indische Nederlanders hielden hun eigen broek op. Het vergt wat speur- en rekenwerk om betrouwbare antwoorden te krijgen op vragen als “hoeveel procent van onze uitkeringsgerechtigden is van allochtone afkomst?” (antwoord: ca. 17% ) en “hoeveel procent van de Nederlanders van allochtone afkomst hebben een uitkering?’’ (antwoord: 24-30%), maar vast staat in elk geval dat verreweg de meeste Indische Nederlanders er al vrij kort na hun aankomst in slaagden in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Dit kwam deels doordat er in de jaren vijftig krapte was op de Nederlandse arbeidsmarkt, maar natuurlijk ook doordat de feestelijke optuiging van de Verzorgingsstaat nog moest beginnen. In zijn boek “De uittocht uit Indië” constateert Wim Willems dat verreweg de meesten zelfs geen bemiddeling van het arbeidsbureau nodig hadden om een baan te vinden. In de jaren zestig kwam aparte arbeidsbemiddeling voor repatrianten dan ook te vervallen. “Het aantal werkloze Indische nieuwkomers was op dat moment verwaarloosbaar” (Willems, p. 182).
2. De criminaliteitsstatistieken zijn bekender: de helft van onze huidige gevangenispopulatie is van niet-Nederlandse afkomst. Natuurlijk waren er destijds behalve Indo-bandjes ook Indo-bendes, maar Indische Nederlanders hebben nooit een substantieel deel uitgemaakt van de misdaad hier te lande, dit helaas in scherp contrast met de nieuwkomers na hen. Koplopers op deze trieste ranglijsten zijn de Marokkanen (in absolute zin) en de Antillianen (in verhouding tot hun geringe aantal). (Zie b.v. “Criminaliteit in relatie tot de integratie van etnische minderheden”, Ministeries van Justitie en BiZa, 1997).
3. Het toenmalige regeringsbeleid was gericht op geografische spreiding van nieuwkomers (Willems, p. 116) en werd met succes en zonder noemenswaardig protest uitgevoerd.
4. Men sprak van huis uit Nederlands, zij het vaak gekleurd door het Maleis, en men was ook in het Nederlands opgeleid. Wellicht ten overvloede: ‘Indische Nederlanders’ mogen niet worden verward met Indonesiërs. Het ging juist om een groep die zich bevond tussen ‘Nederland’ en de inheemse bevolking (Willems, p 12-13).
5. Voor de godsdienst gold in wezen hetzelfde: in Indië/Indonesië speelde de islam uiteraard een rol van enorme betekenis, maar de gerepatrieerde gezinnen waren protestant-christelijk, katholiek, gemengd of niet-kerkelijk (Willems, p. 194).
Ook onder die relatief gunstige omstandigheden viel de aanpassing of inburgering nog bepaald niet mee. (Er werd zelfs assimilatie geëist; men legde de lat hoog in die jaren.) Maar het zal duidelijk zijn dat latere nieuwkomers een aanmerkelijk moeilijkere startpositie hadden!
6. Weliswaar waren de Indische repatrianten een gemêleerde groep (indo’s, Indo-Europeanen, totoks), maar zowel ‘daar’ als ‘hier’ was er toch meer wat hen verbond dan wat hen scheidde! Dat dit zeer beslist niet geldt voor Turken, Koerden, Berbers, Arabieren, Surinamers, Afghanen, Somaliërs, Ghanezen, Oost-Europeanen enz. enz. is een open deur maar mag in dit verband niet ongenoemd blijven. Als mevrouw Seriese perse appels met peren wil vergelijken, en met bananen, kersen, kiwi’s enz., dan lijken haar conclusies mij interessanter voor de fruitsector dan voor de politiek.
7. En dan natuurlijk de aantallen. De ‘tweede golf’ van nieuwkomers houdt nu al 30 à 40 jaar aan en heeft er in totaal zo’n drie miljoen naar het dichtstbevolkte land van Europa gebracht. Circa tien procent van de bevolking bestaat inmiddels uit niet-westerse allochtonen. In de grote steden ligt het percentage rond de dertig. Destijds ging het om welgeteld 296.200 ‘Indische Nederlanders’ (Willems, p. 12). Dat is anno 2004 ongeveer het aantal niet-westerse allochtonen binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam!
Tolerantie is een deugd maar heeft per definitie grenzen. Bij welke aantallen houdt tolerantie op? Bij welke welke instroomsnelheid? Bij wat voor soort spanningen, economische tegenslag, cultuurverschillen en -botsingen? De Indische Nederlanders werden heus niet altijd met open armen ontvangen, zo vlak na oorlog en bezetting. En of ze echt ‘met rust’ gelaten werden, daar valt ook op af te dingen. Maar vrijwel iedereen zal het met Edy Seriese eens zijn dat we hier te maken hebben met een succesverhaal, zowel qua integratie als acceptatie. Incidenten als die met de Molukse jongeren (de Molukkers waren een volledig afzonderlijke en veel kleinere groep) maakten de zaak al spannender, maar ook daarvan kan men achteraf stellen dat het allemaal behoorlijk goed is afgelopen. Maar blijft dat zo na 11 september 2001? Verzuchtten op 7 mei 2002 niet velen: ‘nog een geluk dat Van der G. een autochtone Nederlander is’? En straks in een Randstad met islamitische meerderheid?
“Het komt allemaal goed.” Ik zou die conclusie van de specialiste in de Indische cultuur graag bijstellen: het KAN nog goed komen, maar dan moeten er twee dingen gebeuren:
- de grens voorlopig dicht voor immigranten, met uitzondering van een beperkte groep echte asielzoekers (op dit vlak is de laatste jaren veel bereikt!) en mensen met een arbeidscontract voor bepaalde tijd. Dat betekent bovenal dat de importhuwelijken moeten worden gestopt. En dat gaat niet lukken door halfzachte telefoontestjes! Leeftijds-, opleidings- en inkomenseisen, en vooral beperking van de toegang tot onze sociale voorzieningen lijken daartoe betere middelen. (Zijn landen als Australië en de Verenigde Staten barbaars of gewoon realistisch?)
- Pas als we dat doen, hebben we tijd en geld om serieus werk te maken van de integratie, wat mij betreft te definiëren als taal + werk + gedrag + gevoel. Met name die laatste twee kosten inderdaad veel tijd: ten minste het aantal generaties dat mevrouw Seriese noemde. Maar als we ten aanzien van de eerste twee niet succesvoller worden - en vooral als er elk jaar het kwantitatieve equivalent van een Leiden of een Dordrecht bijkomt aan kansarmen - blijven we bezig met het creëren van de uitkeringsgerechtigden van morgen en de getto’s van overmorgen. Dat is toch in niemands belang?
Hans Aniba, voorm. vrz. LPF-Den Haag
Noten
- “De uittocht uit Indië 1945-1995 ”, Wim Willems, 2001, uitg. Bert Bakker, ISBN: 9035123611.
- Genoemde percentages hebben betrekking op de zogenaamde ‘niet-westerse allochtonen’. Bron: CBS, Allochtonen in Nederland 2002. Het CBS rekent personen tot de allochtonen als ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf in het buitenland zijn geboren, de eerste generatie, en personen die in Nederland zijn geboren, de tweede generatie.
- Voor een kosten-baten-analyse van de immigratie zie: “Binnen zonder kloppen” van Pieter Lakeman, uitg. Meulenhoff, 1999, ISBN: 9029065222 (alleen nog via bibliotheken op te vragen).
zaterdag
Abonneren op:
Reacties (Atom)
