maandag

Lijpstal ziet sterretjes

Toen Duitse troepen in mei 1940 Nederland binnenvielen, wist iedereen dat dit het eind was van een tijdperk, en het onheilspellende begin van ‘iets nieuws’. Precies vijf jaar later was het wederom overduidelijk: een nieuwe tijd brak aan. Meestal echter is het, voor wie het allemaal meemaakt, een stuk lastiger zo’n overgang te herkennen.

Hoe herken je het begin van een nieuw tijdvak?
Eén verschijnsel om scherp in het oog te houden, lijkt me het stuiptrekken van de voormalige elite! Eerst was het Pronk met zijn deportaties en nu flapt Hans Dijkstal er in een interview zomaar uit dat hij overeenkomsten ziet tussen het inburgeringsvignet van zijn partijgenoot minister Verdonk en de jodenster van de nazi’s !

Wat bezielt de liberale regent en oud-politicus om deze wansmakelijke vergelijking te maken ? Samen met, ironisch genoeg, de swastika staat de jodenster immers symbool voor de meest gruwelijke periode uit het recente Europese verleden, voor een optelsom van onvoorstelbare wandaden, een dusdanige monstruositeit dat zij volgens sommigen zelfs buiten de geschiedenis valt.

Een paar verschillen:
- de jodenster had tot doel de verdelging van een volk, of had althans in de praktijk een belangrijke faciliterende functie bij het mogelijk maken van het onvoorstelbare;
- het ging er bij de jodenster uiteraard om mensen van één bepaald ras meteen te kunnen herkennen;
- de overheid dwong joden de ster zichtbaar te dragen;
- het ging destijds bepaald niet om nieuwkomers: veruit de meeste joden in Nederland woonden hier al generaties; integratie, assimilatie en dergelijke waren in ons land nauwelijks issues.

Als je al die verschillen negeert, kan je de jodenster ook wel in verband brengen met paspoort, identiteitskaart of … verblijfsvergunning. Maar waarom dan niet meteen met rijbewijs, clubkaart, bankpas … ? In zekere zin zou vergelijking met het veel gewraakte hoofddoekje beter opgaan; dat leidt immers ook tot onmiddellijke herkenning van de draagster als behorende tot een bepaalde bevolkingsgroep. Maar, toegegeven, die
vergelijking gaat evenzeer mank, want het doekje wordt meestal vrijwillig gedragen.(Hoewel ook over die stelling discussie mogelijk is …)

Er is overigens nog een belangrijk verschil tussen ‘toen’ en nu: de aantallen. Er waren in 1940 ca. 140.000 joden in Nederland (1,75 % van de toenmalige bevolking); volgens het CBS waren er in 2003 ongeveer drie miljoen geregistreerde allochtonen (18,75 % van de huidige bevolking). Amsterdam werd weliswaar soms een ‘joodse stad’ genoemd maar was natuurlijk zo Hollands als maar kon. Wat dat betreft is de huidige situatie echt heel anders: in de vier grote steden zullen binnen tien jaar niet-Europese meerderheden wonen, overwegend onderaan de sociale ladder. Collectief bewustzijn ontwikkelt zich hemeltergend langzaam maar als je hierop wijst, dan valt het muntje bij de meesten wel. En, nee, dan ben je géén racist!

Zou de vrolijke voorzitter van het Filmfonds, ook lid van de ‘Commissie Participatie van vrouwen uit etnische minderheidsgroepen’ en talloze andere commissies en besturen, oprecht bang zijn voor het spook van oplevend racisme en fascisme ? Of is er iets anders aan de hand ?
Volgens mij is hier een gefrustreerde bestuurder van de vorige generatie aan het woord, die denkt ‘laat ik die truc nog eens proberen …’
Hans, die truc werkt sinds kort niet meer! De Tweede Wereldoorlog is eindelijk echt afgelopen!

Dijkstal is van 1943 en heeft goed beschouwd dus verdomd weinig met de oorlog te maken gehad. Dat geldt voor zijn hele generatie, maar toch maken zij er al verdomd lang misbruik van. Er loopt een duidelijke lijn van het niet aflatende gescheld van de Marcellen van Dam en Hugo’s Brandt Corstius van deze wereld tegen elke andersdenkende, naar Pronk en Dijkstal en Thijs Wöltgens (die Paul Cliteur van racisme beticht). Die lijn loopt overigens via Ad Melkert Zaliger Nagedachtenis (Nederland word wakker !),
Comeback Kid Thom de Graaf (die Anne Frank inzette) en voormalig VVD-voorzitter Bas ‘Mussolini’ Eenhoorn. (Dat ging allemaal over ene Pim Fortuyn en het schijnt dat er toen mensen waren die zulke taal serieus namen …)

Over Verdonks vignet mag je vinden wat je wil. Mij lijkt het - net als telefonische taaltests en inburgeringscursussen in het land van herkomst - weinig praktisch en weinig realistisch en, vooral, een afleidingsmanoeuvre van waar het werkelijk om gaat: Nederlanders (autochtoon én allochtoon) willen in meerderheid dat de overheid probeert de toevloed van kansarme nieuwkomers af te remmen. Bovendien vinden zij integratie van nieuwkomers en oudkomers in de Nederlandse samenleving een doel dat het nastreven waard is(integratie = taal + werk + gedrag + gevoel). Door dan nog maar weer eens wereldoorlog en holocaust in de strijd te werpen diskwalificeer je je wat mij betreft definitief in het publieke debat. In lijnrechte tegenstelling tot Frits Abrahams (NRC Handelsblad) vind ik Dijkstal dan ook helemaal niet moedig, eerder triest en in de war (2nd world war!). Volgens Abrahams zal men ooit, “als de radicaal-rechtse mode weer is uitgewoed”, verzuchten: “toch moedig dat hij dat toen durfde te zeggen.”
Ik voor mij denk eerder dat deze Hans Dijkstar over tien of twintig jaar herinnerd zal worden als een van de regenten-villawijkbewoners die eind 20e eeuw zo ruimhartig de poorten van onze grote steden openzetten met alle gevolgen van dien … Nu kan je gettovorming, de facto apartheid in het onderwijs, toenemende criminaliteit, geweld enz. zeker niet alleen op het conto van Dijkstal of de VVD schrijven, maar hij is wel degelijk een late exponent van de elite die er jarenlang bewust voor koos om het praten en denken over alles wat met immigratie samenhing, onmogelijk te maken.

En hij probeert het nog steeds! Dijkstal kan zich eenvoudig maar niet voorstellen dat, als je wél over dit soort dingen wil praten en - God verhoede - als je nieuwkomers in plaats van alleen maar met rechten ook confronteert met eisen en plichten, je tegelijk voor die nieuwkomers (en zeker voor elke nieuwkomer als individu, als mens) precies evenveel respect kunt hebben als voor om het even welke autochtone Nederlander.

In de jaren tachtig en negentig klopten Nederlanders zich nogal eens op de borst: wat was ons land toch gezellig verdraagzaam; xenofobie, etnische spanningen, segregatie … dat was voor ‘Het Buitenland’; hier had je dat niet! Ik had toen al zo’n vermoeden dat dit juichen te vroeg was, maar het was bepaald niet bon ton dat hardop te verwoorden. Over tien of twintig jaar zijn we misschien een beetje over de shock heen die ons trof toen we de multiculturele uitdaging eindelijk in de juiste proporties zagen. (Was dat niet kort nadat we er weer over mochten denken en openlijk over praten ?) Gesteld dat we er dan in geslaagd zijn de vele problemen die die uitdaging met zich meebrengt een beetje netjes op te lossen, én gesteld dat er nog steeds iets bestaat dat Nederland mag heten (dat zal dan zeker een aanmerkelijk gevarieerder Nederland zijn dan in de 20e eeuw!), dan, en pas dan, zullen we zien of er hier op borsten mag worden geklopt.