Burgers ‘die iets vinden’, mogen tegenwoordig op zondagochtend hun zegje doen in het
programma Buitenhof. Laatst hoorde ik er een pleiten voor “een beetje minder Liberté ten behoeve van meer Egalité.” “Dan komt het met de Fraternité vanzelf goed”, zei hij er nog achteraan ... Het deed me aan van alles denken, onder meer aan het artikel “De linkse oplossing ” van Thomas van der Dunk in Vrij Nederland van 17 januari.
Dat artikel is om een aantal redenen opmerkelijk. Zo deed het me bijna twijfelen aan een overtuiging die ik toch al weer jaren koester (momenteel geen erg modieuze opvatting): het verschil tussen Links en Rechts is nog altijd politiek relevant en is niet bezig te verdwijnen – integendeel. Zelf ben ik rechts. Vroeger was ik links en niet zo’n beetje ook. Dat ging tussen mijn dertigste en vijfendertigste levensjaar schuiven.
Maar bij lezing van Von der Dunks essay viel me vooral op hoe men, ondanks diametraal verschillende uitgangspunten, toch tot veel vergelijkbare, soms zelfs identieke conclusies kan geraken!
Als je over jezelf zegt dat je rechts bent, of links, moet je kunnen aangeven waar de verschillen zitten. Wat mij betreft gaat het dan om twee zaken: hoe je denkt over de relatie markt - staat en over de ‘menselijke aard’. Nu is niets in het leven helemaal zwart, en ook niets helemaal wit, maar iemand die zegt dat hij rechts is, zal (voor mijn part in geval van geen of onvoldoende informatie en at gun point) zijn vertrouwen eerder stellen in de werking van de vrije markt dan in de een of andere overheid. En wat de menselijke aard betreft, de aard van het individu (voor zover politiek relevant): Rechts gaat er niet vanuit dat de mens ‘goed’ is, zelfs niet in principe goed, overwegend goed, onder de juiste voorwaarden goed of in meerderheid goed. De individuele mens is zeker tot veel goeds in staat, maar ook tot heel veel slechts, en ga er bij het maken van politieke plannen en het nemen van politieke beslissingen nou maar vanuit dat hij lui, laf, wellustig en zelfzuchtig is, en meestal ook berekenend.
Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus en zoon van emeritus hoogleraar H.W. von der Dunk, die ik als student in de jaren zeventig en tachtig bewonderde. Ik had van junior al het een en ander gelezen (o.a. de bundel “Alleen op de wereld. De Nederlandse worsteling met zichzelf, God en Europa”, 2001) en ik kende hem bovendien uit de media, die blijkbaar iets zien in dit verdwaalde lid van de Village People met zijn snerpende kopstem. Maar het is niet zijn stem of zijn outfit waardoor het me soms moeite kost hem serieus te nemen. Dat komt veeleer door zijn rabiate anti-Amerikanisme en zijn kennelijke fobie voor onderne-merschap en vrije markt. Met name van dat laatste, die absolute tegenstelling tussen markt en samenleving, zijn ook in “De linkse oplossing ” weer sterke staaltjes te bewonderen. Delen van het betoog ademen een volkomen irrationele afkeer van (en onbekendheid met !) het vrije ondernemerschap. Als een ware Don Quichotte vindt de auteur dat de sociaal-democratie moet blijven strijden tegen “de desastreuze bijeffecten van ongebreideld vrije-marktkapitalisme” (waar bestaat dat nog ?). En alles wat nieuw, hol en platvloers is – en dat is voor Von der Dunk tegenwoordig een heleboel – komt enkel en alleen voort uit … winstmotieven. Beroepsethos en profijtbeginsel lijken nooit naast elkaar te kunnen bestaan. Sectoren waaruit het profijtbeginsel wat hem betreft verbannen (c.q. nooit toegelaten) zou moeten worden, zijn onderwijs, cultuur en gezondheidszorg. Von der Dunk mag dan soms dingen zeggen die in linkse kring gedurfd zijn, in dit opzicht is hij minder atypisch. Ze
worden allemaal weer in stelling gebracht: ecologie/groen, ‘Kunst & Cultuur’; “langetermijnecologie” versus “kortetermijneconomie”; typisch van die kreten die alle denken en alle debat overbodig lijken te maken, net zoals trouwens “solidariteit”, “verantwoordelijkheidsgevoel”, “humaniteit”, “fatsoenlijke samenleving”, “kwestie van fatsoen”, “uitverkoop van De Beschaving” ... enz. enz. Vakbondsbobo’s grossieren er graag in en we hoorden het onlangs ook weer volop in verband met de asielzoekersproblematiek (en ook toen Hans Hillen het waagde de uit gemeenschapsmiddelen gefinancierde rollator ter discussie te stellen).
Von der Dunk vraagt zich af: “hoe komt Links uit de impasse ? Wat moet Links anders doen en wat vooral niet anders ?” Hij presenteert een alternatief in wat hij zelf noemt vijf stappen: 1. solidariteit: dat is mooi maar het moet meer zijn dan solidariteit met de gevestigde (babyboom) generatie; 2. “geen nota’s maar daden” : kies voor bekwame uitvoerders in plaats van bemoeizuchtige regelaars; 3. Links dient onomwonden te kiezen voor een sterke en strenge staat; 4. democratie is een groot goed maar er zijn grenzen, want teveel democratie kan de rechtsstaat en de kwaliteit van het openbaar bestuur aantasten (??); 5. Geld is niet alles! De “langetermijnecologie” mag het niet afleggen tegen de “kortetermijneconomie”.
Elk van deze globale thema’s werkt de essayist uit in de vorm van concrete aanbevelingen. En dan valt mij inderdaad op dat ik, vanuit mijn rechtse wereldbeeld, op veel punten tot dezelfde conclusies ben gekomen, of anders toch een heel eind met zijn aanbevelingen kan meegaan. Waar ben ik het zoal met de schrijver van dit linkse manifest eens ?
Sowieso natuurlijk in zijn pikante openingsstelling dat er iets mis is met Links en dat de linkse oppositie in de Tweede Kamer geen duidelijk alternatief biedt – dat ligt voor de hand! Maar er is meer. In feite is het betoog van Von der Dunk één hartenkreet om schaalverkleining, een drie pagina’s lang aangehouden ‘leve de leefbaarheid’. Met mij, en tegenwoordig gelukkig vele anderen, hekelt Thomas von der Dunk het modieuze “managersgeblaat” en is hij van mening dat extra menskracht te prefereren is boven nog maar weer eens nieuw “Beleid”. Zelf zou ik er daarnaast een lans voor willen breken om de hele overheids- en semi-overheidssector onder de loep te leggen en met betrekking tot de reeds aanwezige medewerkers telkens de simpele vraag te stellen: wat doen die mensen de hele dag ? Geven zij de organisatie die hun van een inkomen voorziet, waar voor haar geld?
Links is conservatief geworden: het heeft het ‘eerlijk zullen we alles delen’ opgeofferd aan de ‘Verworven Rechten’. Maar, zo vraagt de auteur zich af, zijn al die rechten terecht verworven? Veel van de mooie collectieve regelingen die ons land rijk is, komen immers helemaal niet terecht bij ‘De Zwakken’ (wie dat ook mogen zijn) maar bij gesettelden die er meestal al behoorlijk warmpjes bij zitten. Von der Dunk pleit voor verdere flexibilisering van de arbeid en verwijst onder meer naar oudere ambtenaren die na twintig jaar vaste en veilige aanstelling volledig zijn ingedut! En ten aanzien van dat andere fraaie Nederlandse arrangement, de WAO, pleit hij zowaar voor “een scherpe herkeuring van álle bestaande gevallen, ongeacht hun leeftijd, waarbij alleen de werkelijke invaliden nog voor continuering in aanmerking komen”, woorden die mij een warm gevoel gaven.
Het artikel hekelt eveneens het technocratische “ingenieursdenken” dat binnen de sociaal-democratie altijd invloedrijk is geweest: verandering was per definitie goed en het ging dan altijd van ‘hoe groter hoe beter’. Op dit punt had de PvdA dus juist behoudender moeten zijn. Schaalvergroting (ook bij b.v. gemeentelijke herindeling) vergroot de afstand tussen burger en overheid. Vaak ging en gaat het om grootse visies op basis van theoretische modellen, die meestal na enige tijd niet blijken te werken omdat - ook dit deed me goed - niet voldoende rekening was gehouden met de menselijke aard.
Von der Dunks “linkse oplossing” omvat, zoals gezegd, ook een terugkeer naar de sterke en strenge staat. Dit punt wordt in het artikel voor mijn gevoel te weinig uitgewerkt. Een sterke en strenge staat, een eind aan het gedogen, so far so good ; maar dat is wat Von der Dunk betreft meteen een keuze tegen markt en privatisering. En ‘sterk en streng’ gaan helaas niet gepaard met de woorden kleiner en duidelijker. De auteur geeft niet meer dan één voorbeeld en beklimt dan maar meteen weer zijn anti-bedrijf stokpaardje en zeurt: een machtige overtreder als Schiphol krijgt altijd zijn zin!
De Europese gedachte is mooi, maar ook aan ‘Europa’ zijn grenzen: in der Beschränkung zeigt sich der Meister. In het artikel wordt dan ook alleen gepleit voor ‘méér Europa’ waar het gaat om buitenlands beleid en defensie, en voor een veel sterker europarlement. Voor het overige lijkt de auteur eerder voorstander van een stevige euro-rem, waarvoor nu onder meer in kringen van VVD en LPF stemmen opgaan. Samenwerking in plaats van oorlog, wie zou daar niet voor zijn? Maar de (sluipende) opheffing van Nederland en de andere soevereine staten van Europa, tja dat is nog iets heel anders!
Tot slot twee opmerkingen die ook in een rechts manifest niet zouden misstaan:
”Volwaardig burgerschap vergt kennis van onze politieke instituties” (in plaats van “het geboortegewicht van Catharina-Amalia“!) en “Een werkbare democratie kan niet zonder de natiestaat, en (…) een zeker nationaal cultureel bewustzijn.”
Op de zaken waar Von der Dunk en ik het niet over eens zijn (die zijn er ook genoeg), zal ik hier niet ingaan. Wel merk ik op dat hij aan een aantal belangrijke vraagstukken van onze tijd weinig of helemaal geen woorden vuil maakt. Niets over internationaal terrorisme en moslimfundamentalisme; ook niet over criminaliteit en veiligheid; en immigratie en integratie moeten het doen met genoemde zijdelingse verwijzing naar nationaal bewustzijn en de sneer over de nieuwste oranjetelg - én met Von der Dunks slotvraag: “Hoe wil men migranten de waarde van het eigen karakter van de Nederlandse samenleving bijbrengen, als de inburgering aan een task force is uitbesteed?” Waar velen zich met hem zullen ergeren aan de goedkope stoerdoenerij van deze woordkeus, schuwt de cultuurhistoricus de grote woorden niet: pseudo-kosmopolitisme en na-aperij van
– natuurlijk, ik dacht al: wat duurt het lang - het toch minimaal één keer per essay te verdoemen Amerika !
maandag
Abonneren op:
Reacties (Atom)
