zaterdag

Wat in het hoofddoekjesdebat ontbreekt

Prikkelende openingsvraag: hoe fout ben je als je vindt dat er een grens is aan de onteuropeanisering van stedelijk Nederland? En ben je meteen extreem-rechts, en een ‘minderwaardig mens’, en zet je groepen tegen elkaar op, als je vindt dat Pim Fortuyn gelijk had met zijn roep om integratie en zijn beeldspraak van het dweilen en de kraan?

Nog niet zo heel lang geleden was het vonnis (een reflex welhaast) simpel en gezwind: racist en/of fascist - of op zijn allerbest een dubieuze onderbuikspreker. Dat was je immers al zodra je vraagtekens durfde plaatsen bij het heil dat de multiculturele samenleving ons geacht werd te brengen. Die tijd is voorbij.

Maar het valt inwoners van Nederland nog altijd heel moeilijk te denken in termen van eigen identiteit. Ik doel dan niet op ieders individuele identiteit; zoals bekend zit het daarmee sinds de jaren zestig en zeventig wel snor in het land achter de dijken. Opleiding, beroep, seksuele geaardheid, spirituele of wereldbeschouwelijke oriëntatie, of loyaliteit t.a.v. een sportclub of muziekstijl … het komt allemaal in aanmerking als ‘component van wat je bent’ en - ook belangrijk - als bindmiddel tussen mensen. Zelfs enthousiasme voor het regionaal of plaatselijk erfgoed mág! Zodra zich echter een nationale identiteit dreigt aan te dienen, gaan alle seinen nog steeds op rood, of liever gezegd: op zwart en bruin! Boven-nationaal (westers, Europees, judeo-hellenistisch, christelijk, dan wel postchristelijk) is al weer iets makkelijker, maar riekt voor sommigen toch ook bedenkelijk.

Het probleem zit kennelijk in onze nationale en onze westerse identiteit: die kun je anno 2004 in Nederland niet hebben, laat staan koesteren; daar kun je niet aan hechten en, erger, daar moet je ook maar niet over denken of praten want … Ja, want wat eigenlijk ?

Lange tijd was het devies ‘integratie met behoud van identiteit’. Welnu, het is onze nationale en westerse identiteit die ik mis in het hoofddoekjesdebat zoals het tot dusver is gevoerd. Het hoofddoekje als symbool van vrouwenonderdrukking; het hoofddoekje als bedreiging voor de neutrale staat; het hoofddoekje als belemmering van de communicatie … het is allemaal waar. En er zijn er vast nog wel een paar te bedenken als je je best doet. Maar aan al deze argumenten kleeft een zekere dubbelhartigheid. Een soort (zelf)bedrog, vergelijkbaar met dat rond ‘taal- en inburgeringslessen in het land van herkomst’. Een wat mij betreft zeer wel na te voelen dubbelhartigheid, na een regime van dertig jaar linkse en linksige denkpolitie, maar toch …

Ik ben nog eens bij mezelf te rade gegaan en wat bleek ? Ik heb helemaal niets tegen hoofddoekjes - zoals ik tegen het meeste textiel geen enkel bezwaar heb. Mijn moeder droeg vroeger ook vaak een sjaaltje op de fiets. Mooi vond ik het toen al het niet, maar ja … Djellaba’s, tulbanden, Lederhosen, kilts, ze laten me koud; maar ook peniskokers, Zeeuwse hoofdijzers, bolhoeden en die balsahouten frisbees die de Kapayo indianen dragen als lipvergroters, ... ze gaan hun gang maar!

Zoals ik niets heb tegen textiel en klederdracht in het algemeen, heb ik op voorhand ook niets tegen mensen; dus ook niet tegen moslims. A priori heb ik zelfs niets tegen moskeeën met of zonder minaretten, ritueel slachten, Turkse en Arabische muziek - en al helemaal niet tegen couscous en kebab. Dat is sentiment nr. 1: veel moet kunnen, liever misschien ‘daar ’, maar als het moet, voor mijn part zelfs hier. Hoewel …

Er is ook sentiment 2: ik heb het land zien veranderen waarin ik geboren ben, en opgegroeid, waarin ik geworden ben wie ik ben; het land waarin, en in zekere zin zelfs waarvoor ik gewerkt heb (en in elk geval belasting heb betaald). Ik heb het in hoog tempo zien veranderen: van traditioneel, nog sterk agrarisch en provincialistisch en - laten we het onder ogen zien - tot in de jaren zestig ook behoorlijk nationalistisch, in een pluriforme, open samenleving, zogenaamd radicaal-kosmopolitisch, op een wijze die nergens anders op de hele wereld, of zelfs in de hele geschiedenis van de mensheid geslaagd is - althans duurzaam en zonder bloedvergieten. Ik stond erbij en keek ernaar, heb er misschien zelfs aan meegewerkt of heb althans jarenlang zo’n beetje aan de zijlijn gestaan.

Zoals iedereen die erover heeft nagedacht, tegenwoordig eigenlijk liberaal is, en zoals iedereen die een beetje nadenkt, ook voor het principe van de verzorgingsstaat is, zo zal ook iedereen moeten accepteren dat onze huidige maatschappij pluriform is, ook in etnisch en cultureel opzicht. Maar ik durf de stelling aan dat er is een grens is aan de mate en het tempo waarin samenlevingen kunnen veranderen zonder zichzelf geheel te verliezen. Let op de formulering: er is een grens: geen sollen maar sein. Ik beweer niet dat er een tegenbeweging of iets dergelijks moet komen; ik zeg dat die al begonnen is. De wal keert het schip en we kunnen hooguit proberen de schok te verzachten.


‘s Lands wijs, ‘s lands eer; wanneer je als westerling naar een ver en vreemd land gaat, pas je je aan: badpak in plaats van bikini, laat staan topless; geen shorts of blote buiken, geen hoofddeksel in de tempels, geen schoenen in de moskee. Ik zal niet zeggen dat alle Nederlandse toeristen zich zo voorzichtig gedragen, maar spraak- en smaakmakend Nederland vindt dat het zo zou moeten - en dat is ook zo. Nou weet ik best dat immigranten geen toeristen zijn, maar ook in de integratie-discussie gaat het om aanpassing, om rekening houden met elkaar. Een zekere mate van aanpassing is geboden, onvermijdelijk. Hoe ver de wederzijdse aanpassing van nieuwkomers en autochtonen moet gaan, dat is waar het debat over gaat. Ook het hoofddoekjesdebat. Het laatste woord is nog lang niet gezegd, maar er wordt tenminste over gesproken. Jarenlang was dat taboe.

Ik pleit voor een gerevitaliseerd nationaal bewustzijn, maar met de socioloog Dick Pels vind ik dat die hernieuwde burgerzin eigentijds moet zijn en beperkt in bereik. Pels gebruikt bijvoeglijke naamwoorden als dun en mild. Hij breekt een lans voor een ‘zwakke Nederlandse identiteit’ of, anders gezegd, ‘een zwak voor Nederland’, hetgeen volgens hem kan samengaan, en zou moeten samengaan met verdergaande individualisering. Ik kan me daar wel in vinden. Persoonlijk stuit weinig me zo tegen de borst als de massale voetbal-oranje variant van ons gemankeerde nationale gevoel. Dat is dus beslist niet wat ik bedoel. (En voor wie het nog altijd niet begrepen heeft of wil begrijpen: de perverse dagdromen van Mussert, Mussolini en Adolf Hitler bedoel ik ook niet !!)

Terug naar de hoofddoekjes. Ik ken weinig mensen die ervoor zijn ze geheel te verbieden. Dat is zinloos, strijdig met de beginselen van de rechtsstaat en, als je echt iets tegen die dingen hebt, ook dom want contraproductief. (Chadors, Burka’s en dergelijke alles verhullende kostuums lijken me een verhaal op zich.) Vervolgens kun je heel radicaal-liberaal zeggen: iedereen mag erbij lopen zoals hij of zij wil ! Dat klinkt stoer, maar het is in onze huidige samenleving in elk geval evident onwaar. De manier om dat te bewijzen is ’s ochtends van huis te gaan met slechts schoenen en sokken aan … Burgerlijke normen, zult u zeggen. Klopt! Het zijn de normen die er tot dusver toe hebben geleid dat Nederlandse postbodes en politieagenten geen korte broek dragen (ook niet in de heetste zomer!), maar bijvoorbeeld ook dat diplomaten of Directeurs-generaal op ministeries zelden in tutu worden gesignaleerd, of met groen geverfde hanenkam en 24 karaats neuspiercing.


Ik zou er voor willen pleiten iedere instelling, vereniging of bedrijf de vrijheid te geven zelf hun eigen dress code op te stellen. De meeste instellingen, verenigingen en bedrijven zijn mans genoeg om - rekening houdend met hun medewerkers, hun cliënten en hun maatschappelijk Umfeld in het algemeen - zo’n exercitie tot een goed einde te brengen. Dat lijkt me democratischer dan dat de overheid het weer allemaal gaat voorschrijven. (Die aangeboren verdraagzaamheid die ‘Hollanders’ zo vaak wordt toegedicht, bloeit volgens mij ook pas echt als die ‘Hollanders’ hun eigen gang mogen gaan!) Maar de overheid zelf is natuurlijk een geval apart: op veel terreinen bezit die een monopolie, dus daar moet heel goed over worden nagedacht. Voor de rechterlijke macht geldt dat zo mogelijk in nog sterkere mate. Weinig mensen zullen dat ontkennen. Voor de advocatuur ligt het al weer iets anders en ook het onderwijs neemt een bijzondere positie in (met een belangrijk onderscheid tussen ‘voor de klas’ en ‘in de klas’). Hoe dan ook, niemand gelooft dat het helemaal zonder regels en afspraken kan. Wel graag zo min mogelijk regels en afspraken; dat is immers liberaal.

Maar nu komt er een middenstander die zegt: in mijn winkel, in mijn kroeg … geen hoofddoekjes. Kan dat ? Of moet zo iemand voor het gerecht worden gedaagd ? De grondwet verbiedt weliswaar “discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook”, maar ja, het woordenboek definieert discriminatie op zijn beurt als “ongeoorloofd onderscheid dat gemaakt wordt op grond van bepaalde kenmerken”, dus dan draaien we in een cirkeltje. De postbode met warme benen vindt het gemaakte onderscheid tussen hem en zijn neef, die stratenmaker is en zijn werk ’s zomers nog net niet naakt verricht, immers ook ongeoorloofd … Mensen zijn nu eenmaal verschillend en mensen (en instanties) maken nu eenmaal onderscheid: met een geurige joint in de mond kan je ook niet zo maar overal naar binnen – te onzent niet, maar ook niet in Ankara of Casablanca ! Nu we met zijn allen dan eindelijk wat minder lijken te lijden aan die Pavlov-reflex van het R-woord, valt er wellicht zelfs enig begrip op te brengen voor de winkelier die stelende asielzoekers uit zijn zaak wilde houden, en de disco waar men mot zoekende Marokkanen zo zat was, dat men iedereen met een Mediterraan uiterlijk ging weigeren …

Ik denk dezer dagen ook weer vaker terug aan de discussie die in de jaren zestig en zeventig werd gevoerd omtrent de haardracht van mannen. Ik heb de strijd destijds volop gevoerd en kan er dus over meepraten. Er was een tijd dat lang haar in de krijgsmacht niet werd geaccepteerd. (Een paar jaar later leek het bijna verplicht !) En ik herinner me de eerste politici en andere media-persoonlijkheden die heel voorzichtig een paar haren over boord en oren kamden. De burgerlijke norm was aan het schuiven geraakt en er ontstond volop discussie over wat kon en niet kon en wat wenselijk was – ook niet altijd vrolijk, vriendelijk en met inachtneming van de regels van fair play; ook toen kwam er, zeker in het begin, een hoop venijn bij kijken!

Alles hangt samen met aantallen: haardracht zou destijds geen onderwerp van discussie zijn geworden als Britse en Amerikaanse muzikanten niet binnen een paar jaar de halve Nederlandse jeugd hadden aangestoken. En er zou nu geen hoofddoekjesdiscussie zijn als er in Nederland een paar duizend islamieten woonden. Maar in een periode van 40 jaar heeft dit land een bevolkingsinjectie gekregen die ertoe heeft geleid dat in onze grote steden nu ongeveer één derde van de bevolking bestaat uit nieuwkomers. Binnen tien jaar zal dat de helft zijn! Ik stel nog eens de vragen waarop ik het antwoord al gegeven heb: is iets dergelijks ooit eerder ergens geprobeerd ? Ja, in Israël ! Is het ooit ergens goed gegaan ?

En behalve met aantallen hangt alles natuurlijk ook altijd onvermijdelijk samen met de geschiedenis, in casu de loden last van Tweede Wereldoorlog en kolonialisme - of althans het schimmige beeld daarvan onder Nederlanders. Uit die laatste oorlog, met vrijwel meteen daarna de zogenaamde politionele acties, kwamen ‘we’ overigens als een land met veel meer nationaal bewustzijn dan we sinds de Tachtigjarige oorlog ooit hadden gehad! (Of je wat in de 16e en 17e eeuw hier te lande vigeerde, achteraf met ons in wezen zeer 19e- en 20e-eeuwse begrippenapparaat, überhaupt mag aanduiden als nationaal besef, nationalisme, patriottisme of vaderlandsliefde … ik laat het graag over aan de deskundigen.)

Op dit punt in de discussie aangeland, is er meestal een simpele ziel die zich geroepen voelt nog eens met klem te benadrukken dat de holocaust toch echt heel erg was en dat we daarom moeten oppassen dat ….
Stop ! Dat de jodenmoord een gruwel was, is evident, maar laten we nou afspreken dat dat met de huidige discussie rond immigratie en integratie niets, maar dan ook echt helemaal niets te maken heeft! Laten we elkaar niet verketteren en met elkaar blijven praten zolang we constateren dat niemand pleit voor geweld; dat niemand pleit voor het uitzetten (laat staan deporteren!) van mensen die legaal in Nederland verblijven; en dat iedereen uit is op het in stand houden van de maatschappelijke infrastructuur, inclusief een sociaal vangnet voor wie er recht op heeft.


Dan spreken we voor de zuiverheid van het debat tot slot meteen af dat een racist iemand is
- die van mening is dat het biologische begrip ‘ras’ ook van toepassing is op mensen, en vindt dat één specifiek ras (meestal het zijne/hare !) superieur is aan andere;

en een fascist
- een militante nationalist en antidemocraat, meestal volgeling van één sterke man of één sterke partij die streeft naar absolute macht over de gehele maatschappij en daarbij geweld niet schuwt.

En daarna debatteren we verder. Ook hier zullen we samen uit moeten komen …


Hans Aniba
(verkorte versie: Haagsche Courant 16 april 2004 onder de titel
"We draaien om de hete brij heen")